jeugdbeweging

In Vlaanderen verstaat men onder de ‘jeugdbeweging’: organisaties waar kinderen één dag in de week (dikwijls zaterdag of zondag) naartoe kunnen. Ze kunnen er onder begeleiding van vrijwilligers gedurende enkele uren deelnemen aan allerlei activiteiten.

Toen ik 8 jaar was, vonden mijn ouders de tijd rijp om mij naar de jeugdbeweging te sturen. Mijn zus die 1 jaar ouder was, had vol ongeduld moeten wachten, zodat we  samen konden starten.

Mijn eerste bezoek aan de ‘roodkapjes’ zal ik niet licht vergeten. De vergadering –die benaming vind ik 45 jaar na datum nog steeds totaal misplaatst- ging door in een stinkend, donker, bouwvallig pand.

De leidster die ons opving, maande mij dadelijk aan haar ‘grote zus’ te noemen. Waardoor ik mij angstig afvroeg of ik na afloop in een ander gezin zou belanden. Het hele gebeuren kreeg voor mij prompt de allures van’ Klein Duimpje’ in plaats van ‘Roodkapje’.

Mijn zus was zich evenwel van geen kwaad bewust en stortte zich met veel enthousiasme op de activiteiten. Zingen, springen (maar niet te hard vanwege de lamentabele staat van de lokalen), dansen, kringspelletjes, … de leidsters hadden werkelijk alle registers opengetrokken om het ons die eerste keer naar de zin te maken.

Zelf heb ik 3 uur lang enkel gekleurd, in een hoekje. De tekening schoot goed op en er waren meer kleurtjes dan thuis. Maar om het kwartier werd ik in mijn activiteiten gestoord door telkens een andere grote zus die mij probeerde mee te tronen naar de steeds lawaaierigere groep. Toen al gaf ik blijk van hardnekkigheid en ontduiken van verplichte groepsactiviteiten.

Mijn moeder was niet blij met mijn tekening en heeft mij uitgelegd dat ik de volgende keer moest deelnemen aan het groepsgebeuren. Volgens haar was dat juist het plezierige van een jeugdbeweging.

5 jaar heeft deze beproeving geduurd. Gelukkig vielen de vergaderingen steeds op zaterdag, wanneer we ’s avonds thuis tv mochten kijken met een zakje chips, zodat ik tijdens die lange namiddagen iets had om naar uit te kijken.

Tweemaal ben ik mee op kamp gegaan. De eerste keer -ik was 8-  was ik zo verdrietig dat ik 2 kilo vermagerde en per hoge uitzondering naar mijn ouders mocht bellen, die niet opnamen.

Datzelfde kamp had ik constant buikloop omdat we voor het slapengaan warme pudding voorgeschoteld kregen. Ik heb er wel een vriendinnetje aan over gehouden dat net als ik steevast in de lange rijen voor de toiletten vertoefde.

De jeugdbeweging was duidelijk niet mijn ding. Niet zozeer de activiteiten zelf vond ik vervelend, maar wel het lawaai en de dichte nabijheid van de andere meisjes, die wilden knuffelen en vlechtjes maken.

De leukste activiteit was quizzen maar zelfs daar werd tot mijn grote frustratie altijd wel een of andere praktische proef binnengesmokkeld.

Hygiëne was onbestaand in het hele gebeuren. Het is een godswonder dat ik niet gestorven ben aan cholera, want ik heb ontelbare keren met de andere meisjes van mijn team brak water uit een emmer moeten opzuigen, ermee gaan lopen op 1 been, om het vervolgens in een bakje uit te spuwen.  De onderliggende bedoeling heb ik na 45 jaar nog steeds niet door.

Vermoedelijk waren ook de leidsters opgelucht dat mijn passage zo kort was. Ze hadden minder geduld dan hun statuten bepaalden want ze verboden mij keer op keer deel te nemen aan het volksdansen en vroegen na een tijd niet meer of ik mij amuseerde.

Heb ik iets overgehouden aan mijn periode bij de roodkapjes? Absoluut.

  • Ik heb een zeer groot wantrouwen jegens mensen die dit de beste tijd van hun leven vinden en zich er niet los van kunnen rukken. Ik ben als lerares ooit van school veranderd omdat mijn toenmalige directeur het hele schoolgebeuren als een groot kamp zag en het presteerde om in uniform te verschijnen op de dag van de jeugdbeweging.

  • Door de 2 zomerkampen stel ik alles in het werk om nooit in de gevangenis te belanden, want driemaal is voor mij geen scheepsrecht.

  • Tenslotte heb ik een melkfobie ontwikkeld en eet ik nimmer pudding, warm noch koud.