reizen

werkw. Uitspraak:  [ˈrɛizə(n)] Vervoegingen:  reisde (verl.tijd enkelv.) Vervoegingen:  heeft gereisd (volt.deelw.) (van iemand) je vrijwillig verplaatsen naar ergens anders dan waar je bent Voorbeelden: `elke dag op en neer reizen tussen je werk en je huis`, `drie maanden door Zuid-Amerika reizen` Dat reizen mijn lust en mijn leven is, begrijpt geen mens. Past niet in het plaatje van de … Meer lezen over reizen