winkel

de winkel, zelfst.naamw. (m.) Uitspraak: [ˈwɪŋkəl] Verbuigingen  winkel|s (meerv.) bedrijf waar je dingen kunt kopen Voorbeeld: `speelgoedwinkel` op de winkel passen: zorgen dat alles blijft gaan zoals het ging en verder niets veranderen Als vijftigplusser heb ik de periode van de kleine buurtwinkels meegemaakt. Het was voor mij een feest om er ‘s zondags met het … Meer lezen over winkel