Franse taal

Het Frans (le français) behoort tot de Romaanse talen, omdat het uit het Latijn is voortgekomen. Het Frans wijkt echter op een groot aantal punten van de andere Romaanse talen af. Ten eerste kent het Frans een verregaande afslijting van morfologische uitgangen. Ten tweede heeft het Frans een groot aantal brekingen en klankverschuivingen, die al in het Oudfrans optraden en in het Middelfrans nog verder zijn geëvolueerd. Ten derde heeft het een licht Keltisch substraat (terug te vinden in een woord als quatre-vingts, “tachtig”, letterlijk “vier-twintigen”; in de Keltische talen telt men in twintigtallen) en een vrij ingrijpend Germaans, vooral Frankisch, superstraat, dat zich onder meer uit in de dubbele ontkenningen ne … pas, ne … rien, ne … personne, ne … jamais enz..

Ik spreek Frans vanaf mijn vierde levensjaar. Ik heb het mijzelf geleerd, nadat ik op het Vlaamse strand kindjes een taal hoorde spreken die ik prachtig vond. Mijn eerste zinnetje tegen 2 Waalse zusjes met een extreem lelijk zonnehoedje luidde: ‘Vous avez une assiette sur votre tête.’ Hun reactie maakte mij duidelijk dat ik het nog ver zou schoppen met mijn kennis van deze taal.

Pas veel later besefte ik dat ik toen hoopte dat Franstalige kindjes mij wél zouden begrijpen, of op zijn minst tolereren. Ik maakte mijzelf wijs dat ik een van hen was en dat Vlaamse kindjes het om die reden niet echt op mij begrepen hadden. Deze illusie heeft niet lang stand gehouden.

Maar ook al hoorde ik er niet bij, mijn kennis van het Frans heeft mij in de lagere en middelbare school een zeker prestige bezorgd bij mijn toenmalige klasgenoten. Ik heb meerdere Franse taken en spreekbeurten in hun plaats gemaakt, om hun gunsten af te kopen.

Van jongs af probeer ik de Franse grammatica in zelfverzonnen regels te gieten. Zo heb ik ontdekt dat abstracte woorden op –ion vrouwelijk zijn: ‘une adoration, une opinion, …’, concrete begrippen daarentegen zijn mannelijk: ‘un lion, un camion, … ‘ Een sceptische schoolinspecteur heb ik geduldig uitgelegd dat ‘une télévision’ géén uitzondering is; het gaat hier om het concept van het TV kijken en niet om het toestel, ‘un téléviseur’.

‘La France’ en ‘un(e) Français(e)’ schrijf je met een majuscule want je kan beide aanraken, wat niet het geval is bij de taal, ‘le français’ en ‘français’ tout court, die dus een minuscule krijgen.

Dat ik als lerares Frans bijna 30  jaar de kost verdiende met deze hobby,  was mijn grootste geluk. Ik beschouwde het als een persoonlijke overwinning wanneer cursisten mij vertelden dat ze eindelijk het gebruik van de ‘passé composé’ begrepen of een boek dat we lazen, goed vonden.

Het Frans hield ook het kind in mij wakker want mijn motto was ‘le français est un jeu.’ Collega’s wisten dat ’tic tac boum’, ‘pim pam pet’, ‘tabou’, ‘scrabble‘ en zelfs ‘cluedo’ geen loze spelletjes waren, maar onontbeerlijke hulpmiddelen bij de studie van de Franse taal.

In the best school ever heb ik samen met mijn fantastische collega’s (roepnaam de Françaisekes) Frans tot lievelingsvak talen van de cursisten gemaakt. De doorlichtingscommissie talen schreef dit letterlijk in haar verslag. Dat ik op mijn 52ste door onwil van de VDAB op vervroegd ‘rustpensioen wegens lichamelijke ongeschiktheid’ ben geplaatst was een klap in mijn gezicht.

Maar gelukkig helpt de taal van Molière mij ook in de dagelijkse omgang met neurotypici. Wanneer ik niet dadelijk begrijp wat een gesprekspartner bedoelt, vertaal ik in gedachten naar het Frans. Op die manier moet ik de zinnen grondig interpreteren en lukt het mij ze in de juiste context te plaatsen.


Tout va pour le mieux dans le meilleur des mondes.